a.    lage temperatuur van lucht en water;
b.    wind;
c.    slecht zicht;
d.    onweer.

Over de veiligheid i.v.m. slecht zicht en onweer kunnen wij kort zijn: in geval van mist is er een algeheel vaarverbod. Vaar tijdens onweer niet uit. Word je er door overvallen, vaar naar de kant en maak je zo klein mogelijk.

De gevaren van lage watertemperatuur en wind worden niet altijd voldoende onderkend, daarom gaan wij daar uitvoeriger op in.

Lage watertemperatuur en het risico van onderkoeling bij omslaan

Onderkoeling of hypothermie:

Overal waar de omgevingstemperatuur laag is en in het bijzonder bij verblijf in het water dreigt hypothermie, d.w.z. afkoeling van het lichaam tot onder de benedengrens van de normale lichaamstemperatuur.

Bij warmteverlies zal het lichaam allereerst de bloedtoevoer naar de buitenkant van het lichaam beperken door het daar aanwezige bloed niet langer in de circulatie te houden, gevolg: koude handen en voeten, die al snel onbruikbaar worden door verkramping. Het lichaam beschermt zo lang mogelijk de vitale functies: hart, longen en hersenen, maar het denkvermogen neemt af, gevolg: traag reageren. Deze kernfuncties gaan achteruit als de temperatuur daalt tot onder de 34°C, bewusteloosheid treedt op onder de 33°C. Bij een kerntemperatuur van 28°C is de kritische grens bereikt: er treden hartstoornissen op en de kans op herstel onwaarschijnlijk.

Wat betekent dat in de praktijk?

Als wij uitgaan van een watertemperatuur van +5°C kunnen er, wanneer iemand te water raakt, al vrij snel problemen optreden als gevolg van verkramping, waardoor hij/zij niet meer zonder hulp uit het water kan komen.

Binnen 30 minuten treedt t.g.v. verdere onderkoeling bewusteloosheid op: deze tijd is afhankelijk van de onderhuidse vetlaag en gaat uit van normaal gebouwde, gemiddelde man van 75kg. Deze tijd is korter naarmate de man magerder is en lichter (dit geldt vooral voor kinderen, die bijna geen onderhuids vet hebben) en naarmate het water kouder is.

Wat betreft zwemmen: omdat door de beweging in het koude water, met een uitgestrekt lichaam, de afkoeling versneld wordt en dus de bloedtoevoer naar arm- en beenspieren vermindert, neemt het vermogen om te zwemmen snel af: goede zwemmers komen in koud water meestal niet verder dan 25m. Het Spaarne is breder dan 25m.

Wind

In geval van stormachtige wind (windkracht 7 of hoger) is er een algeheel vaarverbod.

Er zijn andere situaties waarop de roeier ook bedacht dient te zijn. De gevolgen van harde wind zijn op open watervlaktes (b.v. Molenplas, Mooie Nel) gevaarlijker dan in smal beschut vaarwater. Met name tijdens langere (toer)tochten kunnen grote, open watervlaktes gepasseerd worden. Omdat het weer nooit echt voorspelbaar is moet je dus bij elke tocht rekening houden met plotseling opstekende harde wind.

De boorden (het vrijboord) van roeiboten zijn laag: bij stevige wind kan er onder ongunstige omstandigheden al snel water binnenkomen. Dit proces gaat steeds sneller omdat de boot dieper komt te liggen. Vooral als het water nog koud is (dus ook in het voorjaar) betekend het vollopen van een roeiboot en het vanaf de kant niet opgemerkte worden een levensbedreigende situatie (onderkoeling).