Vaar altijd zoveel mogelijk in een rechte lijn; daardoor kunnen de stuurbewegingen klein blijven en ontstaat een minimale extra weerstand als gevolg van het sturen en wordt ook de balans zo min mogelijk verstoord. Stuur bij deze kleine koerscorrecties tijdens de recover (het oprijden).

 

Moet er een grotere koersverandering gemaakt worden, trek dan met een niet te grote, doch constante kracht aan één van de stuurlijnen. Beperk de roeruitslag tot ongeveer 30°. Bij een grotere roerhoek wordt het stuurresultaat slechter: de sturende kracht neemt af en de remmende kracht neemt toe. Is de koersverandering te groot om deze alleen met het roer te bereiken, gebruik dan bovendien commando's als: 'Stuurboord Sterk/Bakboord Best'€, of zelfs '€œStuurboord/Bakboord houden'€ en rondmaken.

 

Bij het wegroeien heeft de boot nog geen snelheid en heeft het trekken aan een stuurtouwtje geen nut. Dus voordat je wegroeit zorg je dat de boot in de gewenste roeirichting wijst, zodat je de eerste vijf halen niet hoeft te sturen.

 

Het aankomen

Aankomen doe je in het algemeen tegen de wind (of de stroom) in. Bij Het Spaarne€ is de regel (om aanvaringen te vermijden), dat je in principe altijd vanuit de richting Haarlem aankomt en in richting Heemstede vertrekt. Aankomen vanuit Heemstede moet overigens wel geoefend worden en is vereist voor de stuurproef. Kom altijd zo aan dat de boot het vlot niet raakt.

 

Ga voor de aanlegmanoeuvre uit van een hoek van aankomst van ongeveer 45°, iets kleiner voor langere boten (voor een acht b.v.ca. 20°) en iets groter voor kortere boten (voor een wherry ongeveer 40°). Laat minimaal 10 meter uit de kant lopen, zodat je ruim tijd hebt. Bereid de ploeg voor: 'Stuurboord riemen hoog, Klaar om te houden bakboord'€. Enkele meters uit de kant geef je het commando houden. De boot mindert dan vaart en draait van het vlot af. Nu kan je met het roertje corrigeren, gaat het draaien te snel, dan stuur je naar het vlot. Als je te weinig draait dan stuur je af. Bij een perfecte aankomst lig je 10 cm uit het vlot evenwijdig stil. Als je niet goed uit komt, modder dan niet door, maar stop tijdig (houden gelijk) en begin opnieuw.

 

Rondmaken

Bedenk, dat je door te halen of te strijken aan één boord, behalve '€œrond'€ ook wat vooruit of achteruit gaat. Wil je in een nauw vaarwater rond maken, laat dan halen en strijken zonder oprijden. Hiervoor is het commando 'rondmaken met vaste bank'€ Bij sterke dwarswind dien je naar de hoge wal te varen en daar rond te maken. Bij zijwind dien je zo rond maken, dat de boeg 'door de wind'€ gaat: halen gaat dan tegen de wind in waardoor je minder afdrijft. Hoewel je goed weet, dat bij een varende boot na bv. '€œhouden SB'€ logisch volgt: '€œrond over SB'€ moet je even nadenken, hoe dat werkt bij achteruitvaren. Hier volgt op '€œhouden SB'€ zo nodig '€œrond over BB'€.

 

De wind

De factor wind is in het bovenstaande nog niet ter sprake gekomen, toch vormt de wind voor veel mensen het grootste probleem bij het uitvoeren van manoeuvres. De wind heeft invloed te hebben op de keuze van de hoek van aankomst en de snelheid. Vaar in geval van meewind langzaam, houdt de hoek met het vlot wat kleiner dan 45° en laat vroeg lopen. Houd bij tegenwind er goed de vaart in en maak de hoek wat groter dan 45°. Anders wordt dit met dwarswind. Je hebt nu bovendien te maken met verleieren (dwarsuit wegdrijven). In dat geval is het zaak om de punt van de boot voldoende in de richting van de wind te houden. Vooral dit laatste vereist veel praktische oefening.

 

De '€œlage wal'€ is de wal, waar de wind je heen drijft. Vaar bij harde wind er niet te dicht langs, anders raak je '€œaan lager wal'€. Bij aankomen aan lage wal zorg je dat je wat verder van het vlot wegblijft, de wind helpt het laatste stukje. Bij aankomen aan hoge wal moet je proberen dicht bij het vlot te blijven.

 

Op rechte stukken heeft dwarswind veel invloed, door de continue zijwaartse druk, moet je schuin tegen de wind in sturen om rechtuit over het water te gaan. Bij langzaam varen en stil gaan liggen moet je voldoende ruimte houden om niet in de kant te worden gezet.

 

Golven

Het is voor je roeiers prettig, als je hoge golven van passerende boten buiten boord weet te houden. Leg de boot stil evenwijdig aan of loodrecht op de golven, bladen plat op het water en het boord aan de kant van de golf optillen (commando: '€œBB/SB hoog'€).

 

Opmerkingen

  • Zorg bij het doorvaren van een vernauwing (brug of zijsloot) altijd, dat je er recht voor komt, in een smal bruggat valt weinig meer te sturen, zeker als je ook nog moet laten slippen.
  • Verminder bij onoverzichtelijke situaties snelheid en vraag, of de boeg mee uitkijkt. Houd er rekening mee dat een boot die geen vaart meer heeft ook niet meer reageert op het roer.
  • Zorg dat bij een bocht de snelheid zo laag is dat je tijdig voor een obstakel kunt stoppen.
  • De slag waarschuwt de stuurman voor oplopers, maar de stuurman kijkt zelf ook regelmatig achterom.